Een Beknopte Geschiedenis van het (maatschappelijk) opbouwwerk
Zonder voluit aan geschiedschrijving te doen, belichten we kort de opkomst en de verspreiding van de samenlevingsopbouw in Vlaanderen. De lezer zal daarbij opmerken dat diverse lijnen en paden elkaar doorkruisen.
Achterstelling als voedingsbodem
Begin van de zestiger jaren groeit er in sommige kringen van het sociaal-cultureel werk belangstelling voor de mogelijkheden van de community organization - een methodiek naast het social casework en het social groupwork. Met name in het gedachtegoed van het volkshogeschoolwerk, dat bij ons vooral door de Stichting Lodewijk De Raet werd geïntroduceerd, stonden zowel het streven naar gemeenschapsopbouw als naar persoonlijke ontplooiing centraal. De maatschappelijke werkelijkheid van toen werd echter gekenmerkt door een achterstand of een achterstelling van de Vlaamse gemeenschap als geheel en - zoals ook nu nog soms het geval is - van bepaalde streken in het bijzonder. Ze vormden een voedingsbodem voor de latere samenlevingsopbouw.
Streekopbouwwerk kwam uit Nederland
Het is door de contacten met Nederland dat de eerste plannen voor het streekopbouwwerk in Vlaanderen gerijpt zijn. Van overheidsinitiatief was aanvankelijk geen sprake in Vlaanderen, waar sociale en culturele initiatieven bijna steeds van onderop en met name van particuliere zijde kwamen. (Het provinciebestuur van Limburg vormde hierop met de toenmalige Limburgse Raad voor Samenlevingsopbouw respectievelijk dienst van Jef Timmermans een uitzondering.) Het was Jan Hardeman die in 1965-1966 als eerste met zijn Opbouwwerk Heuvelland een initiatief van samenlevingsopbouw van enige omvang en met een semi-professionele aanpak startte. Steun van de overheid kwam er slechts met mondjesmaat. Vanuit een aantal intercommunales voor streekontwikkeling hebben zich eerst de "welvaartsstichtingen" ontwikkeld, waarbij vertegenwoordigers van bevolkingsgroepen en gemandateerden vanuit de overheidssfeer betrokken waren. Zowel naar de problematiek waarop ze zich richten (sociaal-economische ontwikkeling, socio-culturele infrastructuur, welzijnsbeleid, leefmilieu, ruimtelijke ordening, streektoerisme, ... ) als naar de gehanteerde methoden (onderzoek, overleg, inspraakbegeleiding, activering, sociale actie, sensibilisering, ... ) vertoonden de zogenaamde streekopbouwwerken een ruime verscheidenheid.
Gemeentelijke opbouwwerken
Deze diversiteit was ook terug te vinden bij de zogenaamde gemeentelijke opbouwwerken met andere woorden de initiatieven voor samenlevingsopbouw op meso-schaal. Voor wat traditioneel het territoriaal opbouwwerk werd genoemd gaat het schaalverschil tussen macro en meso, gepaard met een verschil in rechtstreekse betrokkenheid van de plaatselijke bevolking. Op streekniveau betrok men doorgaans vertegenwoordigers van maatschappelijke groepen bij het opbouwwerk, terwijl in opbouwwerken op gemeentelijke schaal vaak in direct contact met de bevolking en met vrijwilligers projecten werden uitgewerkt. In dat opzicht vertoonden ze enige gelijkenis met het buurt(opbouw)werk.
Buurtwerk
De indeling van het buurtwerk bij het territoriaal opbouwwerk, namelijk als samenlevingsopbouw op micro-vlak, gebeurde in 1977 op advies van de Hoge Raad voor Samenlevingsopbouw maar was niet vanzelfsprekend. De allereerste initiatieven inzake buurtwerk dateren van 1949. Sociaal bewogen religieuzen en vrijwilligers gingen wonen en "helpen" in verpauperde volksbuurten. Ze trokken zich het lot aan van de talrijke "zwakmaatschappelijke" of "miserie-mensen" en probeerden noden te lenigen, het isolement te doorbreken en bij te dragen tot sociale en culturele verheffing van de buurtbewoners. Naast de solidariteit van de initiatiefnemende buitenstaander, trad stilaan de stimulering van de zelfwerkzaamheid van de buurtbewoner op de voorgrond. Individuele hulpverlening en animerende en recreatieve activiteiten werden aangevuld met elementen van zelfhulp en vorming.
Buurtopbouwwerk
Vanaf 1972-1973 voltrekt zich een min of meer ingrijpende evolutie in het buurtwerk. Het zogenoemde buurtopbouwwerk meldde zich als nieuwe initiatiefnemers. In de lijn van de maatschappijkritiek en de democratiserings- en participatiebeweging van zestiger jaren, wezen zij op de structurele bepaaldheid van de problemen van volksbuurtbewoners. Met de toen spraakmakende term "kansarmoede" werden de opeenstapeling van probleemfactoren en de collectieve dimensie van de buurtproblematiek belicht. Zich afzettend tegen een "caritatieve aanpak", wilden de buurtopbouwwerkers "structureel gericht werken". Daartoe werd getracht bewoners te verzamelen rond door hen ervaren problemen, een proces van probleemformulering en bewustwording op gang te brengen en kleine en grote acties op het getouw te zetten om verantwoordelijke instanties onder druk te zetten en beleidsbeslissingen te beïnvloeden of af te dwingen. "Sociale actie" voeren gericht tegen de "onderdrukkende machthebbers" behoorde tot het geliefkoosd methodisch arsenaal van menige kritische buurt- en opbouwwerker.
Buurtwerk werd steeds meer naar voren geschoven als een multifunctionele voorziening die ruimtelijk en cultureel dicht aansluit bij de woon- en leefwereld van bewoners van kansarme buurten. De functies hulpverlening, animatie, recreatie, vorming en bewonersorganisatie door opbouwwerk, zouden in een geïntegreerde methodiek worden verwerkt die moet toelaten, zowel het isolement van de buurtbewoners te doorbreken, door de steun van lotgenoten aan mondigheid en zeggenschap te winnen, individuele en collectief ervaren problemen op te lossen en de leefbaarheid van de buurt te vergroten. (H. Baert, 1982)
Territoriaal opbouwwerk
Wat in de beleidsdocumenten van de overheid op de noemer van territoriaal opbouwwerk op macro- (streek), meso-(gemeente) en micro-schaal (buurt) werd gebracht, bleek in de praktijk weerbarstig aan een stroomlijning. Lange tijd bleven vele buurtwerkers in hun informeel circuit wroeten, terwijl sommige streekopbouwwerkers "gedocumenteerde gesprekstafels" met reeds georganiseerde vertegenwoordigers van de bevolking en de beleidsmakers niet schuwden.. Jongere, kritische opbouwwerkers streden dan weer voor het "basissocialisme, voor (antikapitalistische) structuurhervormingen en/of een radicale democratisering". Door toepassing van methoden van sociale actie (zie o.m. S. Alinsky en P. Reckman), het opzetten van coöperatieven, communes en "wereldscholen" (zie o.m. O. Negt en P. Freire) stelden zij zich alternatief, buiten de gebaande wegen op.
Functioneel opbouwwerk
Ondertussen had het zogeheten functioneel opbouwwerk in Vlaanderen enige erkenning gekregen. De bedoeling was om via coördinatie van organisaties tot een efficiëntere hulpverlening in een bepaald gebied te komen, nadat men in de zeventiger jaren een zeer grote uitbreiding van de welzijnszorg gekend. De expansie verliep echter ongecoördineerd zodat o.m. versnippering en onoverzichtelijkheid schering en inslag waren. Vanuit een nood aan samenwerking en overleg tussen de welzijnswerkers werd medio 1977 een "Oproep tot samenlevingsopbouw in de welzijnszorg" gelanceerd met als bedoeling: de kwaliteit van de hulpverlening en welzijnszorg in een bepaald territorium te verbeteren. Nadat de initiatiefnemers geen gehoor vonden bij "hun" ministerie (toen Volksgezondheid), kregen ze onderdak bij het departement van cultuurminister Rika De Backer. Naarmate in de jaren '80 de nood aan besparingen zich deed gevoelen, werd de drang groter om het functioneel opbouwwerk over te hevelen naar het departement Welzijn "omdat het nu eenmaal tot de taak van welzijnswerkers behoort overleg te plegen en samen te werken".
Categoriaal opbouwwerk
Met betrekking tot een derde soort van samenlevingsopbouw, namelijk het categoriaal opbouwwerk, kan een gelijkaardig verhaal worden geschetst, hoewel hier onmiddellijk de grote diversiteit naar doelgroepen opvalt. In de praktijk van de welzijnsbevordering van gemarginaliseerde groepen als "gastarbeiders" of migranten, woonwagenbewoners, ex-psychiatrische patiënten, ex-gedetineerden, holebi's en bejaarden bleken tal van knelpunten van structurele aard te zijn. Vandaar dat initiatieven werden genomen om niet enkel in te staan voor directe hulp en begeleiding, maar om ook de publieke opinie en het beleid te beïnvloeden en zodoende de sociale integratie te bevorderen. Ook deze initiatiefnemers konden aanvankelijk terecht bij de staatssecretaris van cultuur in wiens beleidsnota het begrip "categoriaal opbouwwerk" was ingevoerd. Hiermee werd het opbouwwerk bedoeld "dat de welzijnsproblematiek van een welbepaalde bevolkingscategorie wil behartigen". Of de gevarieerde organisaties die op deze noemer werden gesubsidieerd steeds de samenlevingsopbouw als kernfunctie waar maakten, is meermaals betwijfeld.
Herstructurering van 1983
Door de overheveling van het functioneel en het categoriaal opbouwwerk naar het departement "welzijnszorg" werd door de toenmalige cultuurminister Karel Poma in 1983 een uitzuivering van de sector samenlevingsopbouw ingezet. Verschillend van de ministeriële voorganger die vooral ordende en erkende wat van onderop was gegroeid, nam deze minister de slopershamer en het truweel zelf in handen. Toen waaide door Vlaanderen een centrumrechtse en neoliberale wind die pleitte voor een overheid die zich zou beperken tot haar kerntaken, zowel om te besparen als om meer ruimte te laten voor ondernemende individuen en groepen. Door de Vlaamse regering werd schoon schip gemaakt met "de grote onduidelijkheid of het gebrek aan eenvormigheid" in de sector samenlevingsopbouw. Wat vanaf dan officieel nog als samenlevingsopbouw of (maatschappelijk) opbouwwerk werd erkend en gesubsidieerd, moe(s)t projectmatig werken aan de directe oplossing van collectieve problemen in buurten, wijken en streken. En om de roots niet te vergeten (sic), moest dit gebeuren "met de participatie van de bewoners".
Focus op kansarmoede en projectmatig werken
De Vlaamse decreetgever heeft in 1991 onder impuls van welzijnsminister Jan Lenssens de opdracht van het opbouwwerk nog meer ingeperkt door een zware klemtoon te leggen op de rol van het opbouwwerk in de bestrijding van de kansarmoede. Velen in de sector hebben dit als een dreigende of een reële versmalling van de jarenlange praktijk ervaren. Institutioneel gesproken kende het (maatschappelijk) projectmatig opbouwwerk na de herstructurering tegelijk ook een zekere expansie en kon het op een stabiele basis zijn werking professioneel uitbouwen en zijn methodiek en methoden ontwikkelen.
Laatste wijziging: 01 februari 2010